|
De Bijbel geeft ons instructies over reine en onreine dieren. Maar in 1 Korintiërs 10:27 schijnt er een uitzondering te zijn op deze wetten. Waarom?
Geeft 1 Korintiërs 10:27 ons de toelating om onrein vlees te eten wanneer we uitgenodigd zijn bij vrienden, om hen niet te kwetsen? Laat ons niet uit het oog verliezen aan wie Paulus deze instructies gaf. De Korintiërs waren Grieken die zich bekeerd hadden van hun heidens geloof in afgoderij. Zij leefden in een wereld waar het offeren aan afgoden een dagelijkse routine was. Deze offers werden voortdurend gebracht in heidense tempels. De persoon die het offer gebracht had, at daarna van het geofferde vlees. Vaak werd niet al het vlees opgegeten en de priesters bleven achter met aanzienlijke overschotten van de geofferde dieren. Zij maakten van de gelegenheid gebruik om winst te maken en verkochten de rest van het vlees aan plaatselijke slagers, die het vlees op hun beurt verkochten aan hun klanten. Het probleem kwam hieruit voort. Paulus waarschuwde de bekeerde gemeenteleden te Korinte om niet deel te nemen aan de rituelen van deze heidense tempels of aan de offers. 1 Korintiërs 10:19-20: "Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten." De christenen mochten op geen enkele wijze betrokken zijn bij deze heidense gebruiken. Maar de vraag was gesteld. Wat moest er gebeuren met het vlees dat overbleef na de offers en verkocht werd in de slagerijen of op de markt? Hoe konden de christenen vlees dat geofferd was, onderscheiden van vlees dat niet geofferd was? Als u uitgenodigd werd bij vrienden, hoe kon u zeker zijn van de herkomst van het vlees dat opgediend werd? Blijkbaar was dit een probleem voor de Korintiërs. Paulus loste dit probleem eenvoudig op. In vers 19 had hij al uitgelegd dat afgoden niets waren, en dat afgodenoffers niets waren. Een afgod was gewoon een stuk hout of steen, en het vlees dat hun geofferd werd, was gewoon vlees. De zonde zat in het deelnemen aan deze heidense rituelen. Vandaar dat Paulus in vers 25 schrijft: "Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar". Anders gezegd: "Koop vlees zonder te vragen of het aan afgoden geofferd werd." Vlees is vlees. Voor zover het rein vlees is, is het niet nodig om er de herkomst van te kennen. Dit principe gold ook wanneer men bij vrienden ging eten. Het was niet belangrijk om te weten waar het vlees vandaan kwam of wat men ermee gedaan had. Het enige wat telt, is of het rein vlees is, dan mag men ervan eten. Dat is wat Paulus zegt in vers 27: "Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar." "Alles, wat u wordt voorgezet" had zowel betrekking op vlees dat aan afgoden geofferd was, als op ander vlees. Paulus spreekt hier niet over rein en onrein vlees. Hij zegt niet dat Gods wet over reine en onreine dieren afgeschaft is. Hij zegt gewoon dat men vlees mag eten dat geofferd werd aan afgoden. Paulus had dit onderwerp aangesneden in hoofdstuk 8 en hij schreef in vers 13: "Daarom, indien wat ik eet [vlees geofferd aan afgoden], mijn broeder aanstoot geeft, wil ik in eeuwigheid geen vlees [geofferd aan afgoden] meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven." Een christen die uitgenodigd werd, moest dus niet vragen naar de herkomst van het vlees. Maar als een andere genodigde opmerkte dat het vlees aan afgoden geofferd werd, mocht de christen er niet van eten, om niemand te kwetsen en om geen struikelblok te zijn voor een genodigde. Men mag niet ingaan tegen het geweten van degene die verklaart dat het vlees geofferd werd. Als het vlees echter onrein was, dan moest men er zeker geen vragen over stellen, want men zou meteen gezien hebben wat voor vlees het was, zodra men het zag. Het is niet toegelaten om onrein vlees te eten, ook niet als dit vlees
opgediend wordt door uw gastheer, om hem niet te kwetsen. God verbiedt
om ervan te eten. Onrein vlees is niet het onderwerp van hoofdstuk 10,
maar van andere passages in Gods Woord. Het is glashelder dat wij nooit
onrein vlees mogen eten. |