|
Welke kalender heeft God geldig verklaard? Heeft één van de vele nu bestaande "heilige kalenders" Gods goedkeuring? Aangezien God Israël gebood Zijn wekelijkse sabbat (Ex. 20:8-11) en Zijn zeven jaarlijkse heilige dagen in acht te nemen (Lev. 23; Ezech. 20:12-24), zou Hij toch ook moeten hebben gezorgd voor een betrouwbare kalender (of tijdrekening), die aangeeft wanneer deze sabbatten moeten worden gehouden. Volgens de Anchor Bible Dictionary geeft de bijbel, ondanks tal van verwijzingen naar wat men "Gods kalender" zou kunnen noemen, gewoon onvoldoende informatie om zo'n nauwkeurige kalender op te opstellen: "Geen enkel bijbelgedeelte, noch de bijbel als geheel, reikt een complete kalender aan" ("Kalenders", dl. 1). Tevens wordt ons meegedeeld dat "hedendaagse bijbelonderzoekers moeten beseffen dat we onmogelijk kunnen spreken van een [strikt] bijbelse kalender" (The Interpreter's Dictionary of the Bible, "Kalender", dl. 1). Wat zijn zo de problemen waar iemand mee te maken krijgt als hij die kalender uitsluitend uit de bijbel probeert te reconstrueren? PROBLEEM 1: De bijbel zegt ons niet precies wanneer elke maand volgens de heilige kalender begint. De bijbel laat zien dat iedere maand met "nieuwe maan" moet beginnen, maar nergens omschrijft Gods Woord dit begrip voldoende om te weten wanneer dat precies is! Wordt met de bijbelse nieuwe maan gedoeld op de astronomische nieuwe maan (ook wel "conjunctie" of "donkere maan" genoemd)? Of op de nieuwe wassende maan, die altijd "een paar dagen" duurt? Als bijvoorbeeld de waarnemers destijds in Israël de nieuwe maan enkele minuten voor zonsondergang boven de westelijke horizon in het oog kregen, gaven ze dan te kennen dat die dag - die bijna afgelopen was - de eerste dag van de volgende maand was? Of riepen zij de volgende dag uit tot eerste dag van de nieuwe maand? PROBLEEM 2: De bijbel zegt nooit hoeveel dagen elke maand van Gods kalender telt. Zijn het 29 dagen? Of zijn het er 30? Of nog meer? Deze informatie moeten we buiten de bijbel zoeken. PROBLEEM 3: Het Oude Testament geeft zelfs niet aan hoeveel maanden een kalenderjaar moet bevatten. Aangezien het zonnejaar (± 365¼ dagen) ongeveer 11 dagen langer duurt dan het maanjaar (± 354¼ dagen), hoe kunnen maan- en zonnejaren dan met elkaar in overeenstemming worden gebracht? Hoe kunnen de maanden van Gods kalender op de daarvoor bepaalde tijd worden gehouden zodat Pascha en het Feest der ongezuurde broden altijd in het voorjaar vallen en het Loofhuttenfeest altijd in het najaar? (Iedere seizoensvermelding heeft hier betrekking op het noordelijk halfrond). De oplossing is: door zeven maal per lunaire 19-jaarscyclus - die altijd 235 lunaties of lunaire maanden bevat - een "schrikkelmaand" (of 13de maand) toe te voegen. Maar de Hebreeuwse bijbel geeft niet aan hoeveel maanden een jaar moet tellen, of, hoelang het heilige jaar duurt! De bijbel maakt melding van een twaalfde maand (Ester 3:7) - nooit van een 13de maand. Toch kunnen we uit nauwlettende bestudering van de in Ezechiël 1-8 genoemde tijdsperioden (1:1-2; 3:15; 4:5-6; 8:1) afleiden, dat er bij de Joden beslist een 13de maand werd toegepast ten tijde van Ezechiël, begin 6de eeuw v.C. En aangezien de bijbel over deze schrikkelmaand hoegenaamd geen bijzonderheden geeft, staat er al helemaal niet in wanneer toevoeging plaatsheeft! PROBLEEM 4: De bijbel geeft niet precies aan wanneer het kerkelijk of heilige jaar begint. Weliswaar laat de Schrift duidelijk zien dat het rond de tijd moet beginnen die wij als voorjaars-equinox, voorjaars-(dag-en-nacht)evening [Hebr. tekufah] of lentepunt aanduiden (Ex. 12:2; 23:16; 34:22), maar precieze voorschriften ontbreken. PROBLEEM 5: Meest onoverkomelijk van alle problemen, als men alleen op de bijbel wil afgaan om een kalender op te stellen, is het ontegenzeggelijke feit dat maan- en zonnejaren niet precies in overeenstemming te brengen zijn - een bijbelse eis! - zonder het begin van bepaalde maanden en jaren periodiek aan te passen of "op te schorten". In bepaalde situaties moet de kalender derhalve met één of twee dagen worden aangepast. Zo niet, dan zouden de maan- en zonnejaren uiteen gaan lopen. Geen van de vijf genoemde problemen wordt in de bijbel opgelost! Als het Oude noch het Nieuwe Testament ons voldoende informatie geeft om de kalender op te stellen, waar kunnen wij dan precies vinden wanneer we Gods zeven jaarlijkse heilige dagen moeten houden?
Hoe God Zijn volk de kalender gaf Wie werd ooit van Godswege gemachtigd om een heilige kalender op te stellen en die aan Gods volk mee te delen? In het jaar van Israëls uittocht uit Egypte (± 1446 v.C.) begon God Zijn kalender aan de Israëlieten te openbaren - een kalender die het Zijn volk mogelijk maakte de jaarlijkse heilige dagen te vieren op de daarvoor bepaalde tijd (Ex. 12; Lev. 23). "En de HERE zeide tot Mozes en tot Aäron in het land Egypte: Deze maand zal u het begin der maanden zijn; zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn" (Ex. 12:1-2). Let wel, God geeft deze belangrijke instructies aan beiden, Mozes èn Aäron. Aäron zou later worden aangesteld als Gods hogepriester. Alleen zijn zoons konden hem in dat ambt opvolgen (Num. 16, 17). Aan wie openbaarde God Zijn heilige dagen? Leviticus 23 vermeldt zeven jaarlijkse heilige samenkomsten die God Zijn volk opdroeg "altoos" te onderhouden (vv. 14, 21, 31, 41). God openbaarde deze echter aan Mozes om ze aan Israël door te geven: "Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: De feesttijden des HEREN, die gij zult uitroepen [Hebr. qara, om officieel bekend te maken] als heilige samenkomsten, zijn mijn feesttijden" (vv. 1-2). Vers 4 zegt ons dat de feesttijden "op de daarvoor bepaalde tijd" (Hebr. mo'adiem, "aangewezen jaargetijden") moesten worden uitgeroepen. De religieuze gezagsdragers van Israël moesten het begin van de maanden en de precieze dagen waarop Gods feesttijden werden gehouden, bekendmaken of officieel afkondigen. Wat bedoelde God toen Hij Mozes, de geestelijke leider van Israël, opdroeg om Zijn feesttijden uit te roepen (qara)? Eigenlijk "sommeerde" Mozes het volk van God om die dagen te houden. "Wanneer bijeenkomsten worden 'uitgeroepen', betekent quara 'sommeren'" (International Standard Bible Encyclopedia, dl. 3). Anders gezegd, Gods geestelijke leiders in Israël waren bevoegd om Gods volk te sommeren wanneer zij onder Gods leiding de dagen voor Gods feesttijden vaststelden. Hoe riepen de religieuze leiders van Israël in later tijden Gods feesten uit? De Encyclopaedia Judaica vermeldt dat de "'heiliging' van de dertigste [dag] als nieuwe maan afhing van getuigenverklaringen betreffende tijd en omstandigheden waaronder de nieuwe wassende maan in zicht kwam. Dit werd nauwkeurig door een daartoe bevoegd hof gecontroleerd en alleen dan aanvaard als de verklaringen onderling klopten en niet in tegenspraak waren met het astronomisch inzicht. Verder gold het voorbehoud van overeenstemming door het hof en formele verklaring van 'heiliging' voor het vallen van de avond" ("Kalender", dl. 8). Let wel, een bijzonder Kalenderhof moest eerst de dag van de nieuwe wassende maan heilig verklaren of afzonderen, waarna voor het vallen van de avond een "formele verklaring" van heiliging werd afgegeven. Bijbelse en wereldlijke geschiedenis laten zien dat de Joodse religieuze leiders (de priesters) de heilige plicht hadden, evenals de goddelijke bevoegdheid, om bindende uitspraken te doen over de Hebreeuwse kalender. Alleen zij verklaarden de nieuwemaansdagen (de eerste dag van elke maand) heilig en zij maakten uit of en wanneer een dertiende maand werd tussengevoegd. "Het begin van de maanden werd via directe waarneming van de maan bepaald. Nieuwemaansdagen werden geheiligd en het begin ervan door het Sanhedrin aangekondigd [uitgeroepen]" (Arthur Spier, The Comprehensive Hebrew Calendar, 1952, blz. 1). De gedetailleerde kennis van Gods kalender werd streng door de Joodse priesters bewaakt. Naarmate de Joden echter steeds verder van Jeruzalem wegtrokken, werd het doorgeven van kalenderbeslissingen naar afgelegen gebieden lastiger. Deze toestand leidde tot een aanmerkelijke verandering. "Vanwege de ernstige toestand van de Joodse gemeenten in.... Israël [in de jaren 400 n.C.] en de achteruitgang van het centrum in Galilea, stemde Hillel II in beginsel toe in een beperking van de bevoegdheid van de nasi [het hoogste Joodse gezag] en de functies ervan betreffende [1] afkondiging van de nieuwe maan; [2] vaststelling van de feesten; en [3] invoeging van het (schrikkel)jaar. Daarop publiceerde hij Sod ha-Ibbur (Het geheim der invoeging).... Dit had plaats in het jaar 358 n.C." (Judaica, "Hillel II", dl. 8). Verder zegt de Judaica dat, voor de tijd van Hillel II, "het Sanhedrin de kalender samen met het hof vaststelde door afkondiging van de nieuwe maan en invoeging van het schrikkeljaar." Wanneer begint de maand? Grote verwarring bestaat er over het precieze begin van Gods heilige maanden en jaren. De bijbel laat duidelijk zien dat iedere maand met nieuwe maan begint (Ps. 81:3; Jes. 66:23; Ezech. 46:1) of, juister, omstreeks nieuwe maan. De Joden, alsook de Islamieten, beginnen hun maanden terecht als volgt: "De Islamieten kennen het maanjaar en iedere maand begint omstreeks nieuwe maan" (Merriam Webster's Collegiate Dictionary, 10de ed., blz. 755). Arthur Spier zegt hierover: "Sedert bijbelse tijden worden maanden en jaren van de Joodse kalender bepaald naar de omlooptijd van de maan en de zon. De overgeleverde wet schrijft voor dat de maanden nauwgezet de loop van de maan moeten volgen, vanaf haar molad (geboorte, conjunctie) tot de volgende maan" (blz. 1). Wie met de Hebreeuwse kalender vertrouwd is, zal beseffen dat er naar veler opvatting heel vaak geldige redenen zijn om het begin van de maanden met één dag, soms zelfs twee dagen, op te schorten. In feite beginnen volgens de Hebreeuwse kalender maar 40% van de maanden met de waarneembare nieuwe maan en 60% omstreeks nieuwe maan. Wie bezwaar tegen deze "opschortingen" heeft, moet wel beseffen dat het volstrekt onmogelijk is om ongeacht welke lunisolaire kalender op te stellen zonder dat dit diverse aanpassingen of opschortingen vraagt! Ieder die met de Joodse kalender vertrouwd is, weet dat de Joden van oudsher iedere maand begonnen met de waarneembare maansikkel van de nieuwe wassende maan - niet met de astronomische nieuwe maan (ook wel "donkere maan" genoemd). De zichtbare wassende maan kan ongeveer drie dagen lang als "nieuwe maan" worden aangeduid. Laten we in het kort een paar van de serieuze problemen bezien waarop degenen stuiten, die veronderstellen dat zij de astronomische nieuwe maan (conjunctie, molad of donkere maan) moeten gebruiken om te weten wanneer Gods heilige dagen op de goddelijk bepaalde tijd moeten worden gehouden. Er is tegenwoordig heel wat verwarring in het denken van sommigen over wat nieuwe maan precies inhoudt. "Nieuwe maan... 1: Fase van de maan, wanneer de maan in conjunctie met de zon staat [als maan en zon vanaf de aarde gezien op één lijn staan] zodat de donkere maanzijde naar de aarde is gericht; ook: de dunne sikkel van de wassende maan, die kort na zonsondergang te zien is gedurende enkele dagen nadat de nieuwe maansfase zich feitelijk voordoet; 2: Eerste dag van iedere Joodse maand die door een bijzondere liturgie wordt gekenmerkt" (Webster, 10de ed.). Hier staat het! De dunne nieuwe maansikkel is enkele dagen zichtbaar. Zoals gezegd, beginnen de bijbelse maanden altijd met nieuwe maan, maar de bijbel zegt niet dat elke maand altijd moet beginnen op de molad (astronomische conjunctie) of op de eerste dag dat de wassende maan verschijnt! "Het zien van de maan wanneer deze minder dan 2 dagen oud is [minder dan 2 dagen na de conjunctie of molad], is voor elke waarnemer een uitdaging omdat de maan zo dicht bij de zon staat. De Franse sterrenkundige André Danjon (1890-1967) blijkt de recordhouder voor het observeren van de maan in 1931, toen deze nog maar 16 uur en 13 minuten van haar nieuwe fase verwijderd was" (Burrus & Spiegel, Earth in Crisis, blz. 408-409). Getuigenis van een Hebreeuwse kalenderdeskundige In zijn boek The Comprehensive Hebrew Calendar merkt Arthur Spier op: "Lunaire maanden moeten altijd overeenstemmen met de jaarseizoenen, die door de zon worden bepaald. Zo moet de maand Nisan met het Pascha altijd in het voorjaar vallen en de maand Tisjri met het oogstfeest Soekot [Loofhuttenfeest] in het najaar" (1952, blz. 1). Deze schrijver en Joodse onderzoekers in het algemeen, geloven niet dat de maanden precies moeten beginnen op de dag van de astronomische conjunctie, die zich vaak zo'n dag of wat voordoet vóórdat de wassende maan zichtbaar is! Veeleer moeten de maanden "de loop van de maan nauwgezet volgen". Spier zegt verder: "De Joodse kalender moet aan twee vereisten voldoen, zowel wat de zon als de maan betreft. Dit verklaart haar betrekkelijk gecompliceerde samenstelling. Aangezien het zonnejaar van ± 365 dagen zo'n 11 dagen meer telt dan 12 lunaire maanden [één maanjaar], doet zich bij de Joodse kalender het probleem voor, hoe de zonnejaren met de maanjaren in overeenstemming te brengen" (blz. 1). Sommigen denken ten onrechte dat het een fluitje van een cent is om de zonne- en maankalender te laten harmoniëren. Vergeet niet dat God zowel de zon als de maan aan de hemel gesteld heeft ter regeling van alle kalenderberekeningen. "En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat ze zijn tot tekenen en tot gezette tijden [Hebr. mo'adiem, aangewezen feesttijden], en tot dagen en jaren" (Gen. 1:14, SV). Gebruikt iemand een zuivere zonnekalender, dan kan hij onmogelijk weten wanneer Gods jaarlijkse heilige dagen moeten worden gehouden. De in de huidige christelijke wereld alom gebruikte Gregoriaanse kalender is op geen enkele manier aan de nieuwe manen gekoppeld en kan om die reden niet laten zien wanneer Gods zeven jaarlijke heilige dagen moeten worden gehouden! Gebruikt men echter een zuivere maankalender (zoals de Islamitische kalender), dan zullen Gods feesttijden na zo'n 33 jaar de volle 12 kalendermaanden achterop zijn geraakt. Spier vervolgt: "In vroeger dagen werd de oplossing [voor het met elkaar in overeen-stemming brengen van zonne- en maanjaren] gevonden door de volgende praktische handel-wijze: Het begin van de maanden werd vastgesteld via directe waarneming van de maan. De nieuwe maanden werden geheiligd [door de van Godswege aangestelde priesters] en het begin ervan bekendgemaakt [Hebr. qara] door het Sanhedrin, het hooggerechtshof in Jeruzalem, nadat getuigen hadden verklaard dat zij de nieuwe maansikkel hadden gezien en nadat hun verklaringen grondig waren onderzocht, door berekeningen bevestigd en aanvaard. Het begin van de maanden (Rosj Chodesj) werd in vroeger tijden door het ontsteken van nachtelijke vuren op de bergen ter kennis gebracht van de Joodse gemeenten; later gebeurde dit door boodschappers" (blz. 1). Bijbelse redenen voor 30 dagen uitstel Waren de Joodse priesters bevoegd om het begin van het jaar een volle maand op te schorten? Spier zegt hierover: "Een bijzondere bestuurscommissie van het Sanhedrin, met haar president als voorzitter, was gemandateerd tot het reguleren en het in overeenstemming brengen van zonne- en maanjaren. Deze zgn. Kalenderraad (Hebr. Sod Haibbur) berekende het begin van de jaargetijden (tekufah) op basis van uit vroeger tijden overgeleverde sterrenkundige gegevens. Telkens wanneer na twee of drie jaar het jaarlijkse surplus van 11 dagen tot zo'n 30 dagen was opgelopen, werd er vóór de maand Nisan een dertiende maand Adar II ingelast om er zeker van te zijn dat Nisan en Pascha in het voorjaar zouden vallen en niet mettertijd zouden teruglopen naar de winter" (blz. 1). Een onafgebroken opeenvolging van priesters had van Mozes en Aäron onontbeerlijke informatie ontvangen over de manier waarop men Gods heilige kalender moest berekenen. En hoewel zij nog op visuele waarneming afgingen, plachten zij steeds ooggetuigeverklaringen, van wie de nieuwe maansikkel gezien had, te bevestigen aan de hand van hun eigen globale astronomische berekeningen. De Joodse hogepriesters en hun hoven hadden de bevoegdheid een dertiende maand toe te voegen wanneer de landbouwsituatie in het heilige land aangaf dat, indien geen extra maand werd ingelast (met opschorting van de jaarwisseling als gevolg), de gerst niet rijp genoeg zou zijn voor de aanbieding van het vereiste beweegoffer (Hebr. omer) op de zondag gedurende het Feest der ongezuurde broden (Lev. 23:9-14). Deze agrarische overweging wordt door de Encyclopaedia Judaica bevestigd: "Het zonnejaar telt 365 dagen, 48 minuten en 46 seconden, hetgeen betekent dat het zonnejaar het maanjaar (van 12 maanden) met zo'n 11 dagen overtreft. De cycli van 12 lunaire maanden behoeven derhalve aanpassing aan het zonnejaar, want, ook al liggen de Joodse feesten vast op data van bepaalde maanden, ze moeten tevens vallen in bepaalde [landbouw]seizoenen die van het tropische zonnejaar afhangen. Zonder die aanpassingen zouden de feesten door de seizoenen heen 'zwerven'. Zo zou het voorjaarsfeest [bijv. Pascha] eventueel in de winter worden gevierd, en later in de zomer. De vereiste aanpassing wordt bereikt door toevoeging van een extra maand (Adar II).... In de tijd van de tempel [tot ± 70 n.C.] werd jaarlijks over die toevoeging beslist al naargelang de stand van het gewas... later werd echter besloten tot vaste toevoeging in het 3de, 6de. 8ste, 11de, 14de, 17de en 19de jaar van de cyclus" ("Kalender", dl. 5). Vaststelling van feestdata Spier merkt op: "Deze methode van waarneming en tussenvoeging werd toegepast tijdens de tweede tempelperiode (515 v.C. - 70 n.C.) en nog zo'n drie eeuwen na de verwoesting van de tempel, zolang er een onafhankelijk Sanhedrin bestond. In de vierde eeuw echter [± 358 n.C.], toen verdrukking en vervolging het voortbestaan van het Sanhedrin bedreigden, nam de patriarch Hillel II een bijzondere maatregel om de eenheid van Israël te bewaren. Om te verhinderen dat de over de aardbol verspreide Joden de nieuwe maan, de feesten en heilige dagen op verschillende tijdstippen zouden gaan vieren, maakte hij het tot dan toe streng bewaakte geheim van de kalenderberekening openbaar. Voordien was deze alleen gebruikt om waarnemingen en getuigenverklaringen te verifiëren en om het begin van het voorjaarsseizoen te bepalen" (blz. 2). Niemand kan met gezag zeggen wanneer astronomische berekeningen voor het eerst samen met feitelijke visuele waarnemingen werden gebruikt. Zij lijken vanaf het allereerste begin te zijn toegepast - vanaf de tijd dat God Zijn kalender aan Zijn volk openbaarde (Ex. 12; Lev. 23; 1 Sam. 20:5, 24-27). "Ook al blijkt duidelijk uit tal van Oudtestamentische passages dat de oude Hebreeën minstens een globaal berekende kalender bezaten [zie 1 Sam. 20:5-27]... zij hebben ons nergens een volledige verklaring van hun [kalender]systeem nagelaten" (The Interpreter's Dictionary of the Bible, "Kalender", dl. 1). De uitzonderlijke handelwijze van Hillel II zou meer dan 16 eeuwen verstrekkende gevolgen hebben. Zijn kalenderberekeningen zijn nog steeds overal ter wereld in gebruik bij de Joden en de meeste leden van Gods Kerk. "Hillel II heiligde formeel alle maanden op voorhand en laste alle toekomstige schrikkeljaren in, tot de tijd waarin een nieuw en erkend Sanhedrin in Israël zou worden opgericht. Dit is de vaste kalender der Joden, volgens welke de nieuwe manen en de feesttijden tegenwoordig worden berekend en gevierd door Joden overal ter wereld. Net als het vroegere waarnemingssysteem is deze kalender op het lunisolaire principe gebaseerd. Ook worden bepaalde regels toegepast die de astronomische feiten met de religieuze vereisten tot een bewonderenswaardig kalendersysteem verenigen" (The Comprehensive Hebrew Calendar, blz. 2). De Encyclopaedia Judaica voegt toe: "De geleidelijke regularizering van de tussenpozen voor invoeging moest kloppen met de sabbatscyclus van zeven jaar, aangezien toepassing van de 19-jaars-Metoncyclus onverenigbaar zou zijn geweest met de regel om geen invoegingen te doen in een sabbatsjaar en het jaar dat erop volgt". Men heeft wel aangenomen dat de vaste Hebreeuwse kalender van Hillel II Gods heilige dagen op één of andere manier op heel andere dagen van de maand stelt dan een Kalenderraad dat zou doen als die nu bestond. Dat is echter niet perse het geval. Volgens Spier houdt Hillels vaste Joodse kalender in wezen dezelfde dagen in die de Joden nu zouden heiligen en onderhouden indien er een Kalenderraad was om alle heilige dagen vast te stellen. In die situatie zou een Kalenderraad mogelijkerwijs het moment kunnen aanpassen waarop de schrikkelmaand moest worden ingevoegd. Zo'n beoordeling (van de stand van het gewas) door de Raad zou belangrijker zijn dan de eerdergenoemde vaste invoegingen van Hillel (jaren 3, 6, 8, 11, 14, 17 en 19). Toch zouden de heilige dagen nog steeds op dezelfde dagen binnen elke maand vallen. Hoe dit ook zij, Hillel probeerde niet de heilige dagen strikt overeenkomstig de astronomische conjuncties vast te stellen. "De kalenderberekening van Hillel heeft duidelijk niet de opzet om Rosj Hasjana [de eerste dag van Tisjri] en het begin van de [erop volgende] maanden op de dag van de conjunctie te stellen. Het lijkt er [in de vaste Hebreeuwse kalender] veeleer op dat het begin der jaren en maanden doorgaans is aangepast aan de dagen die het Sanhedrin zou hebben geheiligd op grond van waarneming van de sikkel van de nieuwe wassende maan" (blz. 219)! Wanneer begint God het heilige jaar? Volgens Gods Woord begint elke dag bij zonsondergang, elke week begint aan het einde van de sabbat meteen na zonsondergang en elke maand begint bij nieuwe maan - de nieuwe wassende maan! Maar wanneer begint God het religieuze jaar? In Exodus 12:2 staat: "Deze maand [Abib of Nisan] zal u.... de eerste der maanden van het jaar zijn." De bijbel zegt echter niet precies wanneer die eerste maand begint. Er zijn mensen die vinden dat de eerste maand van het heilige jaar met nieuwe maan begint, vlak vóór de voorjaarsequinox. Anderen menen dat het begint bij de eerste nieuwe maan meteen ná die equinox. Nog weer anderen denken dat het beginpunt ligt bij de nieuwe maan die zich het dichtst bij de lente-equinox bevindt. Hoe beginnen de Joden - alleen zij hebben Gods tijdrekening bewaard! - de eerste dag van de eerste maand van hun religieuze jaar? Hierover zegt Arthur Spier: "De maand Nisan [of Abib], met het feest van Pascha, moet bijvoorbeeld in het voorjaar vallen" (blz. 1). Het feit dat het Hebreeuwse woord voor de eerste maand "Abib" is, dat "groene aren" betekent, toont aan dat die bepaalde maand in de lente valt, wanneer overal de groene aren verschijnen. De eerste maand van de Hebreeuwse tijdrekening wordt ook Nisan genoemd, met de betekenis van "beginnen". Met de maand Abib of Nisan begint het kerkelijk jaar (Ex. 12:2). The Comprehensive Hebrew Calendar vermeldt alle Joodse heilige dagen voor de hele 20ste eeuw, vanaf september 1899 t/m september 2000 n.C. Het geeft voor elk jaar in deze eeuw aan dat, volgens de Joodse tijdrekening, Pascha altijd in het voorjaar valt - nooit in de winter. Hoewel echter de eerste dag van Nisan gewoonlijk na het lentepunt begint, is dat niet altijd het geval! Zo bijvoorbeeld in 1994 toen de eerste dag van Nisan op 13 maart viel, hoewel de lente pas op 21 maart aanbrak. De bijbel laat zien dat Pascha en de Dagen der ongezuurde broden altijd binnen de "eerste maand" moeten vallen (Ex. 12; Lev. 23). In de praktijk vallen ze ook altijd na de voorjaarsevening.
Loofhuttenfeest valt nooit helemaal in de zomer Wordt in de bijbel verlangd dat het Loofhuttenfeest steeds rond het tijdstip van de najaarsevening moet vallen? Volgens Exodus 34:22... "zult gij [het Loofhuttenfeest] vieren.... het feest der inzameling bij de wisseling des jaars [tekufah, najaars-equinox]". Wat houdt de "wisseling des jaars" in? Het Hebreeuwse woord tekufah (of tekufot in het meervoud) betekent "een omwenteling [van de zon], omloop, tijdsverloop" (Strong's Exhaustive Concordance). De Joden hebben vanouds hieruit begrepen dat de najaarsevening op of voor het Loofhuttenfeest moet vallen - nooit erna! Alleen de equinoxen van voor- en najaar [lente- en herfstpunt] worden in de Hebreeuwse bijbel vermeld (vgl. 2 Kron. 24:23; Ex. 34:22). "Tekufot ("Seizoenen, jaargetijden"). De vier seizoenen in het Joodse jaar worden tekufot genoemd... (lett. "kringloop... omlopen"), waarbij de tekufah van Nisan op de lage zon [lentepunt of voorjaarsequinox] duidt, die van de maand Tammoez op de zomerzonnewende [of zomersolstitium], die van Tisjri op de najaarsevening [of -equinox, herfstpunt] en de tekufah van Teweth op winter [-solstitium]" (Judaica, "Kalender", dl. 5). Onze hedendaagse Gregoriaanse kalender gebruikt twee woorden (equinox en solstitium) om het begin van de vier jaargetijden aan te geven. Er zijn twee equinoxen, nl. het lentepunt of voorjaarsevening (± 21 maart) en het herfstpunt of najaarsevening (± 23 september). De Gregoriaanse kalender bevat ook twee solstitia, nl. het zomersolstitium of -zonnewende (± 21 juni) en het wintersolstitium of -zonnewende (± 22 december). De Hebreeuwse kalender kent echter alleen het woord tekufah om deze vier steeds terugkerende verschijnselen aan te duiden. De Joden beseften dat er zowel een voorjaars- als een najaarsequinox was, een tijd dat dag en nacht even lang waren, wanneer er een jaar verlopen was (van lente tot lente, of van herfst tot herfst). Psalm 19:7 verklaart de betekenis van tekufah nader: "Van het ene einde des hemels is [de zon] haar opgang en haar omloop [tekufah] tot het andere einde." Wat zegt en bedoelt Exodus 34:22 dan eigenlijk? Het laat zien dat "het feest der inzameling" op of na de ommekeer of wisseling van het jaar moest plaatshebben - ofwel de tijd waarop de herfstzon haar jaarlijkse omloop voltooit, wanneer ze in zuidelijke richting over de evenaar gaat waarbij ze ons brengt wat we herfst of najaar noemen. Volgens de vaste Hebreeuwse kalender heeft het Loofhuttenfeest altijd op of na die tijd van het jaar plaats. Ook al is het begin van het feest soms een paar dagen voor het herfstpunt, toch valt de tweede helft van het Loofhuttenfeest altijd na het herfstpunt - zodat aan het bijbelse vereiste in Exodus 23:16 en 34:22 wordt voldaan. Het Loofhuttenfeest moet nooit eindigen voor de najaarsequinox (tekufah Tisjri), die op het noordelijk halfrond gewoonlijk op 23 september valt. Dit feest mag nooit in z'n geheel in de zomer vallen! Verwerp onbijbelse leer! Als wij de Hebreeuwse geschriften goed begrijpen, dan zien we dat God Zijn kalender gaf aan "Mozes en Aäron", broers uit de stam van Levi. Aäron en diens afstammelingen werden nadien uitgekozen als Gods priestergeslacht (alle hogepriesters kwamen uit Aärons familie). Het was aan hen alleen dat God de "woorden Gods" ter bewaring toevertrouwde - zo ook de instandhouding van Zijn juiste tijdrekening. Zonder zo'n kalender zou Gods volk niet weten wanneer het Zijn zeven heilige dagen zou moeten vieren op de daartoe bestemde tijd (in het juiste jaargetij), zoals in het Oude Testament werd verlangd. Helaas worden sommigen onder Gods volk door dwaalleer in de war gebracht waar het Gods heilige kalender betreft. Vandaag de dag zijn er zeker zo'n half dozijn verschillende kalenders in omloop die alle "Gods kalender" heten te zijn. Toch zijn er geen twee aan elkaar gelijk! Sommigen die hun eigen kalenders hebben ontworpen, zeggen dat u het Pascha moet houden op de veertiende dag van de eerste maand op of na het lentepunt. Toch houden degenen die zich door die regel laten leiden, ooit de volle zeven dagen van het Loofhuttenfeest en ook de erop volgende "achtste dag" (Lev. 23:36) tenslotte in de zomer in plaats van in de herfst zoals in Exodus 34:22 wordt vereist! Soms halen mensen een boekje van Ambassador College aan (How Often Should We Partake of the Lord's Supper? - Hoe vaak moeten wij deelnemen aan de maaltijd des Heren?) om hun bewering te staven dat "de eerste dag van het nieuwe jaar altijd begint met de dag die zich het dichtst bij het lentepunt bevindt, wanneer de nieuwe maan voor 't eerst met het blote oog in Jeruzalem waarneembaar is" (1952, blz. 6). Deze bewering is over het algemeen waar - maar niet altijd! Zou die regel v.w.b. deze eeuw in 1905, 1932, 1943, 1951, 1970, 1989 en 2000 hebben gegolden - dan zou het hele Loofhuttenfeest nog in de zomer hebben plaatsgehad, terwijl we zo pas nog zagen dat dit nooit mag gebeuren! Zij die als stelregel hebben dat Pascha altijd op de eerste volle maan na het lentepunt moet vallen of wie zegt dat nieuwjaar altijd begint met de dag die zich het dichtst bij het lentepunt bevindt, wanneer de nieuwe maan in Jeruzalem net zichtbaar wordt - zullen zich dan ook bepaald voor een dilemma gesteld zien. Waar komt dit nu allemaal op neer? God heeft Zijn tijdrekening (doorgaans de Hebreeuwse of Joodse kalender genoemd) in stand gehouden via de Joden (Rom. 3:2). Onder hen bevonden zich zowel Levieten als veel priesters, waarbij de priesters van Aäron afstamden. God heeft hen de instandhouding en het onderwijs van "de woorden Gods" toevertrouwd - Zijn Woord, de Hebreeuwse geschriften - alsook het in stand houden van Zijn kalender, die nodig is om de door God geboden feesttijden te houden op de daartoe gestelde tijd . Wie zichzelf aanstelt om zijn eigen kalender te bedenken - met afwijzing van de Joden aan wie God Zijn woorden heeft toevertrouwd - die zou er goed aan doen te bedenken wat God vindt van hen die zich wederrechtelijk het ambt of de functie van Gods priesters toe-eigenen als God hen niet tot dat ambt geroepen heeft (vgl. Num. 16 en 17). Gods volk hoort de kalender te gebruiken die Hij de Joden liet bewaren, tot voordeel van allen die Hem willen gehoorzamen en de door Hem geboden feesttijden willen onderhouden. Dat was in wezen dezelfde kalender als die welke Christus en Zijn discipelen gebruikten in de tijd van het Nieuwe Testament.
|